Portret - De informatieve site voor iedereen die vragen heeft over fotografie

Ga naar de inhoud

PORTRET

Algemene tips:

  • Ieder mens heeft twee gezichtshelften, waarbij de ene helft niet gelijk is aan de andere. Dit val het meest op aan de geportretteerde wanneer deze een foto van zichzelf ziet. Dit komt doordat men zichzelf normaal gesproken alleen in de spiegel ziet en aan dit beeld is men gewend. Onderstaande regel kan helpen om toch een natuurlijke indruk aan de foto te geven.  

  • Zoals met alles gaat dit niet voor 100% van de mensen op, maar een belangrijke vuistregel is dat mensen die rechtshandig zijn en een foto van zichzelf zien, die het best vinden lijken als de linkergezichtshelft het meest naar voren is gekeerd (de zogenaamde gevoelskant). Het omgekeerde geldt natuurlijk voor mensen die linkshandig zijn. Probeer hier rekening mee te houden wanneer u een portret gaat maken!

  • Fotografeer tussen twee oogknippen door.  Een vrouw knippert gemiddeld elke 2,7 seconden met haar ogen. Bij een man is dit om de 3,3 seconden.  Door de langere belichtingstijden waren portretten vroeger erg mooi van uitdrukking.

  • De macht van het beeld: Een hoog of juist laag standpunt van de camera (vogel- of kikvorsperpectief) kan van grote invloed zijn bij een portret. Een zelfde onderwerp kan in het ene geval nietig, in het andere geval overweldigend overkomen. Bij beroepen waar macht een rol speelt, weten sommige vertegenwoordigers (denk aan politici) dit ook en zullen er dan ook gebruik van maken (als de fotograaf meewerkt natuurlijk). Iemand die sterk wil overkomen zal zich juist met een laag camera standpunt laten fotograferen, waardoor de geportretteerde als het ware op de toeschouwer neerkijkt.

  • Zeg niets vlak vóór de opname.

  • Vlak vóór de opname het model even  de ogen naar beneden laten richten en meteen weer omhoog. Zij/of hij heeft daardoor een helderder uitdukking.


Welke lens (objectief) te gebruiken:

  • Een standaarlens of groothoeklens is ongeschikt omdat deze teveel vertekening geven als men bijvoorbeeld een hoofd formaatvullend wil fotograferen. Een vuistregel is om voor portretten een lens te gebruiken waarvan de brandpuntsafstand minimaal het dubbele is dan die van de standaard lens, maar moet ook niet te lang zijn omdat anders het contact met het model verloren gaat omdat de fotograaf te ver weg moet staan.  Wat is dan de standaard lens?: Dit wordt berekend door de diagonaal te nemen van het negatiefformaat (analoog) of sensor (digitaal). Bij analoog filmformaat van 24x36 mm, is de diagonaal 43 mm. In de praktijk werden de meest camera's geleverd met een standaard lens van ca. 50mm tot 55 mm. Bij analoog middenformaat 6x6 is de diagonaal 85 mm en in die buurt zat de brandpuntsafstand van de bijbehorende standaard lens. Als je de diagonaal neemt van het bij digitale camera's (DLSR) veel voorkomende sensor formaat = 23,6x15,8 mm, kom je uit op ca. 28 mm als standaard lens. Dit verdubbelt (volgens de vuistregel) kom je uit op 56 mm als minimale brandpuntsafstand voor portret, maar ideaal is bijvoorbeeld een brandpuntsafstand van 85mm. Uiteraard kun je dit equivalent van 85 mm gebruiken op je zoomlens (mits binnen het bereik van deze lens) als je niet beschikt over een portretlens met vast brandpunt.  


Onderstaande foto's door mij gemaakt, zijn gebaseerd op de lichtstudie van fotograaf Cor van Weele (1918-1989).

Gebruikte apparatuur: Balcar A1200 Studio-flitsinstallatie (1200wattseconde) + Clear Pyrex buizen (6100° Kelvin) met standaard reflectors. Photoflex softbox. Manfrotto lampstatieven. Camera Nikon D80 met AF-S Nikkor 18-135mm lens + Wein voltage reduceer adapter op flitsschoen. Gossen Lunasix-F belichtingsmeter. Studio achtergrondpapier. Reflectiescherm (wit).


1) De Basis.
Er is slechts 1 zon die op onze aarde schijnt. Dat is dus het hoofdlicht. Alle andere zaken die we gebruiken (invullicht, reflectieschermen, achtergrondverlichting, etcetera) voor een portretfoto dienen dus alleen maar om schaduwen op te helderen, de kop meer plasticiteit te geven en om bepaalde effecten te verkrijgen. Ga dus niet allerlei lampen vanuit willekeurige richtingen op een model zetten om voldoende licht te krijgen!

Verder is het uitgangspunt dat alles mag, omdat ‘foute foto’s’ soms meer kunnen hebben dan perfecte foto’s. Maar….., om de afwijkingen te kunnen beheersen is het verstandiger om eerst de basis te leren. Daarom eerst even wat uitleg over wat wordt bedoeld met de horizontale en verticale plaatsing van de lamp. In het voorbeeld ziet u een hoofd met daarachter (op ongeveer 1m) een achtergrondscherm geplaatst.

2) De horizontale plaatsing van de lamp is de positie die de lamp inneemt t.o.v. het
onderwerp bij gelijkblijvende hoogte (bijvoorbeeld vóór het onderwerp of aan de
zijkant van het onderwerp).
A= vóór het onderwerp.
B=links van het onderwerp.
C=rechts van het onderwerp.
(uiteraard zijn alle posities tussenin mogelijk en kan de lamp zelfs achter het onderwerp worden
gezet).

Horizontale plaatsing van de lamp.

3) De verticale plaatsing van de lamp is de positie die de lamp inneemt t.o.v. het
onderwerp bij gelijkblijvende horizontale plaatsing (bijvoorbeeld lager of hoger dan het
onderwerp). Het lampstatief blijft dus op dezelfde plaats op de vloer staan.
A= recht vóór het onderwerp (op ooghoogte).
B=boven het onderwerp.
C=onder het onderwerp.
(en uiteraard zijn alle posities tussenin mogelijk).

Verticale plaatsing van de lamp

Horizontale lichtopbouw - Foto 1

Lamp geheel rechts van het model geplaatst.
De linkerzijde van het gezicht is geheel verlicht,
de rechterzijde van het gezicht totaal donker.
Is dus zuiver zijlicht.

Horizontale lichtopbouw - Foto 2

Bij deze foto is de schaduwkant opgehelderd en de plasticiteit van de kop gehandhaafd door het zetten van een tweede lamp als invullicht rechts naast de camera. Bij gebruik van een lichtere achtergrond zul je zien dat hierdoor een schaduw op de achtergrond ontstaat.


Horizontale lichtopbouw - Foto 3

Bij deze foto is het invullicht naast de camera sterker gemaakt en wanneer dit een echt model zou zijn, in feite te fel voor de ogen omdat hij zo laag staat. In de praktijk zal dit zelden voorkomen omdat het licht meestal boven ooghoogte gezet wordt. Opmerking: Het model heeft minder last van de lampen naarmate de omgeving in zijn totaliteit lichter is.



Horizontale lichtopbouw - Foto 4

Bij deze foto is gelozen voor een overdreven situatie, waarbij het hoofdlicht niet als volkomen zijlicht is neergezet, maar iets te ver naar achteren. Hierbij wordt de plasticiteit van de kop geaccentueerd en er onstaat een zeer sterke schaduw-scheiding midden op het hoofd. Voor ons gevoel ziet het model er dan slecht uit. Een zeer veel voorkomende fout.



Horizontale lichtopbouw - Foto 5

BIj deze foto staat het hoofdlicht als in foto 4, maar is een tweede lamp aan de tegenovergestelde kant gezet om te proberen de zware schaduw op te heffen. Dit noemen we een 'lichttang'.



Horizontale lichtopbouw - Foto 6

Fotografen, die menen slim te zijn, doen dit niet, maar zetten een reflectiescherm op de plaats van de tweede lamp, zoals deze foto. U ziet het resultaat. Het is gelijk als met de lamp, alleen minder sterk en minder geprononceerd. Het is dus diffuser, maar ook fout.

Opmerking: In dit voorbeeld is een wit reflectiescherm gebruikt. Om warmere huidtinten te verkrijgen is voor portretten een goudkleurig reflectiescherm beter.



Horizontale lichtopbouw - Foto 7

Bij deze foto is 1 lamp rechts vlak naast de camera gezet (dus vóórlicht) . Bij vóórlicht krijgen we last van schaduw op de achtergrond, zoals vooral bij lichtere achtergronden goed te zien zal zijn. Enkele manieren om deze schaduw weg te werken zijn;
* Het model verder van de achtergrond afzetten.
* Bij ruimte gebrek een kleinere lamp op de achtergrond richten (zie foto 8).
* Een donkergrijze of zwarte achtergrond nemen, zoals op deze foto. Dit kan echter niet altijd omdat dit vaak niet bij het model past. Overigens is het verschil tussen een donkere en een lichte achtergrond veel meer een verlichtingskwestie - dus méér of minder licht er op - dan het wijzigen van de achtergrondkeur zelf.   


Horizontale lichtopbouw - Foto 8

Gelijk aan foto 7, maar hier is de achtergrond opgehelderd door een lamp.


Verticale lichtopbouw - Foto 9

Tot nu toe stond de lamp op ooghoogte. Uitgangspunt is nog steeds; lamp rechts vlak naast de camera (v
óórlicht), maar nu gaan we de lamp in hoogte verstellen. Op de foto hiernaast is de lamp extreem hoog gezet. Er onstaat dan het zogenaamde 'rampenlicht'. Zware schaduwen in de oogkassen, onder de neus, lippen, kin enzovoorts. Zelden te gebruiken. Voordeel is dat het een goed uitgangspunt geeft om te modelleren; zijkanten kop in de schaduw, plasticiteit is groot.

Verticale lichtopbouw - Foto 10

Bij deze foto is de lamp een stuk lager gezet, maar nog steed ruim boven ooghoogte.

Verticale lichtopbouw - Foto 11

Als in foto 10, maar nu zijn de schaduwen ingevuld door middel van het plaatsen van een refelectiescherm vlak naast de kop links.

Verticale lichtopbouw - Foto 12

Bij deze foto is in plaats van een reflectiescherm een lamp als invullicht gebruikt. Het hoofdlicht staat nog steeds op dezelfde plaats ,maar nu staat er links van de camera ook een lamp. Dit invullicht is lager dan ooghoogte gezet en zou voor een levend model erg hinderlijk (verblindend) zijn.

Verticale lichtopbouw - Foto 13

UItgangspunt is hetzelfde als bij foto 12, maar nu is het invullicht wat meer gedimd. dus minder hinderlijk voor het model.

Tips om verblinding van het model tegen te gaan;
* Middenv
óórlicht is verblindend voor het model. Hiertegen wordt veel gezondigd, waarschijnlijk omdat dit wel maximale concentratie (geen afleiding) bij het model geeft.
* Plaats ergens in de studio een licht welke niet deelneemt aan de opname zelf, maar zorgt dat de fotograaf niet in het donker staat (fotograaf moet te zien zijn door het model).
* Zorg voor een verlichte omgeving buiten het opnameveld. De koplamp van een fiets kan op een donkere weg verblindend zijn, maar in een goed verlichte straat valt diezelfde lamp nauwelijks op.
* Ook een raam in een studio kan functioneren als midden
vóórlicht.
* Gebruik indien mogelijk dimmers op de gebruikte fotolampen. Dit voorkomt het gesleep met lampen om ze dichterbij/verderaf te zetten.


Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 14

In de praktijk zal onze lichtopbouw vaak liggen tussen de hiervoor gedemonstreerde horizontale en verticale lichtopbouw. Doorgaans geen extreem zijlicht en v
óórlicht, maar hier tussen in. Bovendien moet licht dat op het gezicht schijnt altijd boven ooghoogte staan. Foto 14, 15 en 16 zijn gemaakt met 1 lamp die boven ooghoogte is opgesteld. Dit is te zien aan de schaduwen bij oogkassen, neus, lippen en kin. Invullicht is hier dus achterwege gelaten om de werking beter te kunnen zien.

Foto 14 is bijna gelijk aan foto 7, alleen is bij foto 14 de lamp boven ooghoogte gezet.  



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 15

Vergelijk foto 15 met foto 1. Bij foto 15 lamp boven ooghoogte, verder gelijk.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 16

Vergelijk foto 16 met foto 4. Bij foto 16 lamp boven ooghoogte, verder gelijk.





Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 17

In foto 1 kwam het licht van de zijkant. Zetten we het hoofdlicht meer naar voren, dan wordt nog een deel van de andere gezichtshelft verlicht. Maar........ als je licht maakt, maak je schaduw. Bij deze foto zit de neusschaduw te hoog, waardoor de mondhoek ongunstig licht heeft gekregen.  



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 18

Bij deze foto is de lamp wat hoger gezet, zodat de neusschaduw precies in de mondhoek uitkomt. De lichtplek in de mondhoek is dan verdwenen. Een lange neus en een mopsneus komen op deze wijze voordeliger uit.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 19

Bij deze foto is de neusschaduw uit foto 18 aangehouden en zijn de schaduwen ingevuld met middenvoorlicht.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 20

Behalve bij pasfoto's zullen we een portret meestal niet exact recht van voren maken, maar met het hoofd in meer of mindere mate gedraaid om de plasticiteit beter weer te geven. Gebruik de vuistregels uit de tips bovenaan om te bepalen wat de gevoelskant van de geportretteerde is en naar de camera moet worden gekeerd. De gelijkenis bij een portretopdracht is immers punt
één!
Nogmaals;
Rechtshandig: Gevoelskant = Links en Karakterkant = Rechts.
Linkshandig: Gevoelskant = Rechts en Karakterkant = Links.

Bij foto 20 draaien we de kop van middenvoor (en face) gedeeltelijk naar opzij (en profil). Het licht is hetzelfde als bij foto 16, maar de kop is naar het licht toegewend, zodat de schaduwen ("gaten") in de holten verdwijnen. Verder zien we hier nu de schedelbouw welke van belang is voor de vormkarakteristiek.

 


Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 21

Op deze foto is het hoofd zover gewend dat de neus nog net binnen de wanglijn valt.





Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 22

Bij deze foto valt er wat licht langs de neus op de andere wanghelft, waardoor er een lelijke vlek onder het oog onstaat.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 23

Hier valt de neus net buiten de wanglijn en daardoor zijn er nog stukjes van de wang te zien, hetgeen onduidelijkheid veroorzaakt. Iets verder doordraaien maakt de neus vrij van de schedellijn en lijkt daardoor beter.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 24

De foto's 24, 25 en 26 hebben hetzelfde hoofdlicht als foto 20, maar hier is een invullicht middenvoor geplaatst met verschillende sterkten. Deze foto 24 heeft een zwak invullicht.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 25

Deze foto heeft een middelsterk invullicht.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 26

Deze foto heeft een sterk invullicht.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 27

Bij de foto's 20-26 was het hoofdlicht steeds geplaatst op de van ons afgewende zijde van het gezicht (op de 'korte zijde', zoals het hoort). Dat hoofdlicht laat ons het kortste stuk gezicht zien en het invullicht zit aan de kant waar we de grootste gezichtshelft, maar ook een groter stuk hals en huid zien. De naar ons toegekeerde zijde noemen we dus de 'lange zijde'. In dit voorbeeld van foto 27,  staat het hoofdlicht op de 'lange zijde (naar ons toegekeerde zijde) van het gezicht. We noemen dit "het licht staat aan de lange kant". Dit is in feite de allermeest gemaakte fout, omdat het gehele gezicht van puntje kin, tot topje oor in één vlak valt en het gezicht veel te lang lijkt (alle plasticiteit is weg).

Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 28

Nog een foto met foute verlichting (het licht op de 'lange kant'), maar nu met het gezicht iets naar ons toegekeerd.
Invullicht is hier niet gebruikt om het effect van het hoofdlicht op de lange kant duidelijker te kunnen zien.



Combinatie Horizontale/Verticale lichtopbouw - Foto 29

In feite is hier de goede opstelling van de verlichting gekozen. Voor het hoofdlicht, geplaatst op de 'korte kant'is een studiolamp met soft-box gebruikt. Voor het invullicht is een studiolamp met paraplu gebruikt. Studiolampen met een standaard reflector geven 'hard licht' en door het gebruik van softbox/paraplu is het licht zachter. Beide lampen bevinden zich binnen een kwartcirkel (dit is belangrijk!). De enige reden om hiervan af te wijken is wanneer de geportretteerde een bril draagt. In dat geval kan het hoofdlicht een fractie naar achteren worden gezet om het licht achter de bril langs te laten lopen. Dit om te voorkomen dat reflecties in het glas ontstaan en te zorgen dat de schaduw van het montuur niet over de ogen valt.  



Samenvatting:

  • Er is maar 1 zon, dus gebruik ook maar 1 hoofdlicht. Alle andere lampen/reflectie schermen enz. zijn slechts voor het ophelderen van schaduwen en effecten (bijvoorbeeld. achtergrondverlichting).  

  • Wanneer je meer dan 1 lamp gebruikt (bijvoorbeeld hoofdlicht + invullicht), zorg dan dat ze binnen een straal van 90° (kwartcirkel) t.o.v. elkaar staan.

  • Zet het hoofdlicht op de 'korte kant' van het gezicht.

  • Zet het hoofdlicht boven ooghoogte en probeer de neusschaduw in de tegenoverliggende mondhoek te leggen.

  • Zet het invullicht op de 'lange kant'.

  • Zorg dat het verschil in licht  tussen de 'korte' en 'lange' zijde (hoofdlicht en invullicht) van het gezicht niet meer dan 2 diafragmastops bedraagt (ideaal is 1,5 stop, tot maximaal 2 stops). Is bijv. het gemeten diafragma op de 'korte zijde' bij een gegeven sluitertijd f/8, zorg dan dat dit maximaal f/4 is op de 'lange' kant (dus minder licht aan die kant, hetgeen volgens de belichtingsmeter vraagt om een grotere diafragmaopening!). Te weinig verschil geeft een 'te vlakke' verlichting (schaduw is natuurlijk en moet er wel zijn).  Heb je geen losse belichtingsmeter, richt dan je camera beurtelings op beide gezichtshelften en lees het diafragma af (zorg wel dat de isowaarde en sluitertijd bij beide uitlezingen gelijk zijn). Let wel, dit zullen niet de diafragma's zijn waarmee je uiteindelijk de opname maakt, het gaat er hier alleen om het verschil te zien!.

  • Om het licht op het onderwerp te verzachten, gebruik softboxen, paraplu's of reflectieschermen. Gebruik eventueel een lamp om de achtergrond geheel of gedeeltelijk te verlichten. Verschillende effecten kunnen hierbij bereikt worden door gebruik van lampfilters (honingraat, kleurenfilters etcetera).  

  • Zet de camera op ooghoogte.

  • Gebruik een lens met brandpuntsafstand die geschikt is voor portret. Afhankelijk van de sensorgrootte van je camera is dit rond de 85mm bij een sensor van 23,6x15,8 mm en rond de 135 mm bij een z.g.n. "full frame sensor".

  • Neem het portret bij voorkeur 3/4 op. Pas dus op om het gezicht recht naar de camera te draaien.




Heb je geen idee hoe/waar te beginnen? Volg onderstaande instructie;

Opnamestand: Probeer (er van uitgaande dat je camera die stand heeft) op RAW te fotograferen (Om twee voorbeelden te geven NIKON noemt dit “NEF” en Canon “CRW”), dus ongecomprimeerde opslag. Het voordeel hiervan is dat je achteraf zelfs de witbalans (dus eigenlijk de kleurtemperatuur) nog kunt corrigeren in beedbewerkingsprogramma’s zoals Photoshop, Lightroom, enzovoorts.

Witbalans:
Als je studioverlichting gebruikt hebben deze lampen in principe een kleurtemperatuur van ca.5400 graden Kelvin en kun je hier je witbalans op instellen. Het wordt een ander verhaal als je andere lampen gaat gebruiken, zoals wat vele mensen proberen, namelijk bouwlampen van de Gamma etc. (niet aan te raden – keihard licht en worden zeer heet!) Je zult dan een witbalans moeten kiezen die overeenkomt met de kleurtemperatuur van deze verlichting. Probeer in 1 van je opnamen ook een grijskaart of kleurenkaart mee te fotograferen als referentie. Achteraf vergelijk je dan de kleuren van de echte grijs/kleurenkaart (gewoon in daglicht) met het resultaat op je foto en kun je eventuele afwijkingen corrigeren.

ISO:
Stel je ISO waarde in (en zet deze vast) op 100 (vergelijkbaar met een analoog fotorolletje van 100 ISO/ASA – 21 Din). Dit geeft de minste ruis (indien nodig kun je de ISO-waarde verhogen als beperkte lichtomstandigheden dit nodig maken).

Diafragma:
Iedere lens heeft z’n ideale opening (diafragma waarde), waarbij scherpte optimaal en vervorming/vertekening minimaal is. Over het algemeen zal zich dit ergen in het midden van de range bevinden, dus bijv. f/8. Ook weer afhankelijk van hoe je uitkomt met je licht kun je hier mee spelen, zolang je ongeveer in die buurt blijft. Maar uiteraard komen we dan ook op het terrein van de compositie (gebruik van scherptediepte). Zeker bij portretten is het vaak mooi als het gezicht (en in ieder geval de ogen) scherp is en de achtergrond onscherp. Dit kan het dus nodig maken om je diafragma verder open te zetten (naar bijv. f/5.6). Dit heeft dan natuurlijk wel weer invloed op je sluitertijd (onlosmakelijk met elkaar verbonden).

Sluitertijd en voorkeuze:
Begin met je sluitertijd op bijv. 1/100 te zetten (tenzij – als je flitsers gebruikt- een andere synchronisatietijd is voorgeschreven). Als je studioflitsers gebruikt, zal bewegingsonscherpte niet vlug voorkomen (flits ‘bevriest’ beweging), dus indien nodig kun je ook een langere flitstijd bij. 1/60 gebruiken). Bij gebruik van continulicht heb je niet te maken met een synchronisatietijd en zal je bewegingsonscherpte moeten voorkomen door wellicht een snellere sluitertijd te kiezen (tenzij je natuurlijk juist beweging wilt in je foto!). Ik zou dus om alles in eigen hand te houden geen sluitertijd voorkeuze of diafragma voorkeuze gebruiken, zet de camera op manual en stel zelf alles handmatig in want daar leer je ook het meeste van (actie en gevolg).

Single/Multishot:
Om eenvoudig te beginnen, maak gewoon single shots. Maak een foto en beoordeel het resultaat eerst (maak tussendoor e.v.t. correcties op je instellingen) voordat je verder gaat. Multishots of servo kan worden gebruikt wanneer je basis verlichtingsinstellingen goed hebt staan en je wilt bijv. een model laten bewegen tijdens de opnamen.
In samenvatting:
1) Stel je model en verlichting op.
2) Begin met je hoofdlicht in te stellen en beoordeel het effect.
3) Stel je invullicht in (Softbox, paraplu, of reflectiescherm) en beoordeel het effect visueel, maar ook door lichtmeting (bij portret bijv. verschil in diafragma stops 1,5 – 2 stops tussen lange en korte zijde van het gezicht).
4) Indien gewenst stel je achtergrondlicht in en beoordeel het effect.
5) Camera op RAW en ISO-100
6) Sluitertijd op 1/100 (of iets korter bij continulicht, afhankelijk van beweging ja/nee).
7) Meet het licht met een belichtingsmeter/flitsbelichtingsmeter (bij voorkeur ‘opvallend licht’ meten). Indien niet in bezit, gereflecteerd licht meten via je camera.
8) Stel het gevonden diafragma in op je camera (indien gevonden waarde te hoog of te laag voor je wensen (denk aan scherptediepte), maak e.v.t aanpassingen in sluitertijd, of zelf in ISO-waarde (mits dit binnen de perken blijft - kans op ruis bij te hoge ISO-waarden). Ander mogelijkheden zijn natuurlijk nog om je lampen iets verder weg of dichterbij zetten.
9) Maak de foto en beoordeel het resultaat.

Een leuk hulpmiddeltje om je studio opstelling ‘vast te leggen’ kun je hier vinden:
http://www.lightingdiagrams.com/Creator

Een goed boek (niet specifiek alleen voor portret, maar veelomvattende info over allerlei belichtingssituaties en studio apparatuur is “Licht & belichting in digitale fotografie”van Michael Freeman, o.a hier
http://www.bol.com/nl/p/licht-en-belichting-in-digitale-fotografie/1001004005981342/te koop.

Copyright 2011-2018 All rights reserved Webdesign: Hans Schalk
Terug naar de inhoud

Aantal bezoekers